In de 40-dagentijd staan we stil bij het leven van Jezus. Wie was hij? Wat kwam hij doen? Wat kunnen we van en over hem leren? We doen dit aan de hand van de evangelist Johannes. Hij beschrijft wie Jezus was en wat hij kwam doen in zeven tekens. Deze week het zes teken: Jezus geneest een blinde (Johannes 9:1-7)

Als Jezus met zijn leerlingen door Jeruzalem loopt zien ze een man zitten die al vanaf zijn geboorte blind is. De leerlingen vragen aan Jezus wiens schuld het is dat de man blind is: van hemzelf of van zijn ouders. Dit was een theologisch debat (‘wiens schuld is het lijden?’) dat ook al in Jezus’ tijd werd gevoerd. Over mensen met een aangeboren afwijking gold in sommige kringen de opvatting dat zij werden gestraft voor een zonde die ze in de baarmoeder al hadden gepleegd. Andere rabbi’s en wetsgeleerden waren van mening dat zo iemand de straf droeg voor een zonde van de ouders, al dan niet tijdens de zwangerschap begaan. Maar in elk geval was in hun wereldbeeld voor elk gevolg een directe oorzaak aan te wijzen. 

Jezus gaat niet mee in die opvatting en spreekt zijn leerlingen tegen. Noch de man zelf, noch zijn ouders hebben gezondigd. De vraag waarom deze man blind geboren is, laat Jezus vervolgens helemaal open. Er komt van zijn kant geen theologische verklaring over het waarom van aangeboren afwijkingen. In plaats daarvan zegt Jezus: “Gods werk moet door hem zichtbaar worden. Zolang het dag is moeten we het werk doen van hem die mij gezonden heeft; straks komt de nacht en dan kan niemand iets doen.”

De leerlingen zijn gefixeerd op het verleden: ‘Hoe is dit tot stand gekomen, wiens schuld is het geweest?’. Jezus echter, kijkt naar de toekomst. Wat kunnen we doen voor deze man? En Hij verbindt de ontmoeting met deze man aan zijn eigen weg. Nu is het nog dag, nu kunnen Jezus en zijn leerlingen nog iets doen. Straks komt de nacht waarin niemand iets kan doen. 

 

Na deze korte toespraak maakt Jezus wat modder van spuug en zand en smeert dat op de ogen van de man. Hij stuurt hem naar Siloam (een poel met een badhuis in Jeruzalem) waar hij zich moet wassen. Toen de man dat gedaan had, kon hij weer zien.

 

Het indelen van mensen in hokjes en het aanwijzen van een oorzaak voor bepaalde soorten ellende maakt het leven lekker overzichtelijk. Maar het sluit jezelf en de ander ook op. Als eenmaal vastgesteld is wiens schuld het is en waar het vandaan komt, is het gesprek over. Je kunt weer overgaan tot de orde van de dag. Het afwijkende is ingepast en wegverklaard.

Maar dat doet Jezus dus niet. Hij is niet op zoek naar een overzichtelijk leven waarin alles en iedereen zijn (vaste) plek heeft. Hij trekt de leerlingen los uit hun denkkader en de blindgeborene verlost hij van zijn handicap. Dat zijn dingen die je wereldbeeld en je leven behoorlijk op zijn kop kunnen zetten. Vaste antwoorden komen ineens op losse schroeven te staan en oude zekerheden vallen weg. Wat overblijft is de aansporing van Jezus om samen met Hem het werk van God te doen in deze wereld. ‘Zolang het dag is’, zegt Hij er ook nog bij.

 

Dit is het zesde teken dat Jezus doet. Letterlijk en figuurlijk komen we steeds dichter bij Jeruzalem. Jezus spreekt steeds openlijker over wie Hij is en wat hij komt doen. Hij is het licht voor de wereld. Al in zijn openingswoorden heeft Johannes het hier over gehad: ‘Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.’ De weerstand bij de farizeeën en schriftgeleerden tegen Jezus groeit ook. De duisternis laat zich niet zomaar verdrijven!

 

Hoe verder in het verhaal en hoe dichter bij Jeruzalem, hoe openlijker mensen een keuze (moeten) maken: zijn ze voor of tegen Jezus? In het licht van Jezus wordt alles zichtbaar: alle overleggingen en redeneringen die in de beslotenheid van ons hart plaats vinden, komen aan het licht. Jezus’ optreden vraagt om een reactie van geloof of afwijzing. Een middenweg is er niet. Na dit teken komt er nog één teken, een teken dat alles op scherp zal zetten…